De ravitaillering in het strijdgebied van Stalingrad - Günther K. Koschorrek


Het onderstaande verhaal is vertaald uit het boek "Der Kampf um Stalingrad - Die Kämpfe im Industriegelände", een verhaal van Günther K. Koschorrek. Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd en mag niet worden overgenomen. © Hans J. Wijers, 2000 - 2007.

Günther K. Koschorrek, Panzer Regiment 21, 24e Pantserdivisie: “Tijdens een vuurpauze beginnen we. We dragen met Küpper drie ovale etensbakken, waarvan de deksels boven dichtgeschroefd zijn. Ieder in een hand een kleinere, en de zware container dragen we gezamenlijk aan de greep. We volgen Winter, de hospik en een chauffeur, die eveneens munitiekisten en lunchpakketten meeslepen. De andere chauffeur bewaakt de voertuigen. Vóór ons granaatkraters, steenbrokken en puinhopen en hierbij het huilen van granaten en het gedreun van de inslagen. De huid op mijn hoofd en rug krimpt bij iedere inslag samen. We bewegen ons zig-zaggend voort, klimmen over stenen en balken, kruipen en liggen op de grond, staan weer op en jakkeren verder. “Dicht bij elkaar blijven” kraakt Winter. Hij zit op een omgevallen stalen mast en ademt zwaar. We onderdrukken allen de hoestkrampen in onze keel. De wind drijft cementstof van een inslag in ons gezicht. Dikke walm uit een nog half smeulend vuur doet onze ogen tranen.

In oplichtend vuurschijnsel zie ik gestalten rennen; een paar handgranaten ontploffen. We drukken ons dicht tegen de grond aan en wachten. Mijn zenuwen trillen - angst kruipt langs mijn hals omhoog en snoert mijn keel dicht. Küpper ligt naast me en ademt zwaar. In het flakkerende vuurschijnsel ziet zijn gezicht er als een trillende karikatuur uit. Vanaf de linkerkant klinkt zacht gekletter van metaal. Enkele gestaltes gaan gebukt aan ons voorbij. Winter staat op en roept ze aan. Ik herken een officiersuniform. “We moeten verder naar rechts” zegt hij dan. “Enkele uren geleden hebben ze Iwan er hieruit gegooid. Nu is het "zware lucht", want ze willen het heroveren. Voorzichtig sluipen we verder - dan komt een vrij stuk. Omgewoelde aarde en betonblokken, waaruit ijzeren balken omhoog steken. Misschien van een voormalige bunker, door onze bommen vernietigt. Een langgerekte muur rijst op uit het andere einde van het puinveld. Drie pijlers staan nog rechtop. “Daar moeten ze ergens zijn” zegt Winter en wijst op de muur. We komen niet verder. Iwan schiet als een gek op het omgewoelde terrein waar we overheen moeten. Of hij ons heeft gezien? We liggen achter steenbrokken, maar de inslagen komen zo dichtbij dat ik hete staalsplinters in mijn gezicht voel en de spieren op mijn rug zich weer krampachtig samentrekken. Voor ons stijgen lichtkogels op, geweersalvo’s en machine-geweer vuur. Valt Iwan aan? Het geknal ebt langzaam weg. “Kom op, nu tot aan de muur” roept Winter bedrukt. We rennen door de wirwar van stenen, draadstaal en ijzeren spanten. Niemand te zien. We sluipen langs de muur en komen bij een kelderingang. “Wie zijn jullie” klinkt een stem uit het duister. “Eten en munitie” zegt Winter, die voor ons knielt. “Prima, kameraad, we hebben genoeg van kolendamp, kom erin” Winter verdwijnt naar binnen maar komt onmiddellijk weer terug. “Dat zijn niet de onze. We moeten terug en naar de andere kant van de muur” zegt hij geërgerd. Verd....vloekt Küpper, en ik val hem bij. Aan het einde van de muur komen we nog enige “landser” tegen. Wederom horen ze niet bij ons regiment. We sluipen verder. Uit een kuil komt een bebaard gezicht met naar beneden getrokken kepi. “Wie zoeken jullie?”- “Regiment 21” antwoordt deze keer de hospik. “Die liggen sedert vanmorgen verder naar voren, tussen de ruïnes” zegt de baardige en wijst met zijn hand naar voren. “Hoe ver nog”-”ongeveer tweehonderd meter” zegt hij. We gaan in de aangegeven richting over puinhopen en verkoolde planken verder, komen in een helder vuurschijnsel en worden ergens vandaan met MG’s beschoten. Küpper rukt bijna mijn arm af als hij achter een puinhoop rent. Ik houd de etensbak vast en zet ‘m achter hem neer. De zware last wordt langzamerhand een kwelling, het zweet loopt in mijn ogen en het hemd kleeft aan mijn lichaam, ofschoon het bitter koud is. Zodra we ergens moeten gaan liggen, begin ik te bevriezen. Waar is eigenlijk het front, de zogenaamde “HKL”; de Hauptkampflinie? Overal wordt er geschoten, of zijn het alleen maar ricocherende kogels, die als bijen om onze oren zoemen en via de stenen terug ketsen? Tussendoor suizen lichtkogels omhoog en belichten alles met een koud licht. “Hoe ver moeten we nog”? vraag ik de chauffeur, om iets te zeggen te hebben. “Ben vandaag voor de eerste keer meegegaan” zegt hij, en ik hoor dat zijn stem trilt. Dan plotseling worden we ergens vandaan aangeroepen, zoals uit een graf. “Man houd je kop! Willen jullie de Iwans op je nek krijgen?” Ik zie een Stahlhelm uit de puinhopen omhoog komen. “We zoeken onze een-heid” hoor ik Winter zeggen. “Welke” - Winter zegt het hem. “Geen idee, wij horen niet bij die troep. Maar als zij het zijn, die vanmorgen Iwan eruit gegooid hebben, dan liggen ze nog geen vijftig meter rechts in het grote fabrieksgebouw. Maar hoepel hier op, we zijn blij dat het hier nog rustig is”. Het hoofd met de Stahlhelm verdwijnt weer. Dat noemt hij ook werkelijk rustig, denk ik, waar we nauwelijks onze neus uit de drek durven op te richten. Tijdens een korte vuurpauze struikelen we weer verder, onder onze laarzen knerst gebroken glas. Schaduwen springen op. Onmiddellijk stijgen lichtkogels op, gelijkertijd kletteren machinegeweersalvo’s tegen de puinmuur. We kruipen verder, de etensbakken slaan tegen steenbrokken. Naast ons springt een schaduw op. “Zijn jullie de etensdragers van het 1e eskadron?” komt de vraag uit het donker. “Ben jij het, Domscheid?” roept Winter terug. “Ja, ik wacht hier al meer dan twee uur op jullie. Ik zal jullie leiden”. Een steen valt van ons hart. Domscheid is de Obergefreiter. Hij vertelt dat ze sinds vanmorgen een tegenaanval hebben ingezet en dat ze nu weer een stuk verder naar voren in de fabriek liggen. “De duivel zal zich hier thuis voelen”, schimpt Winter. Telkens liggen jullie ergens anders. Op een dag zullen we met het eten Iwan nog vereren”. “Is al gebeurd” zegt Domscheid. Vannacht zijn vier mannen van de 79e Infanteriedivisie met eten en munitie bij Iwan belandt. Bij onze tegenaanval vanmorgen hebben we tussen de puinhopen nog de lege ketels gevonden, van de “Landsers” geen spoor” We sluipen achter Domscheid aan, ondertus-sen gaan met tussenpauzes lichtkogels van beide kanten omhoog. Ik struikel en sla met de kanister (etensblik) tegen een metalen stut - een luid gedruis. Onmiddellijk begint in de buurt een Russische MG te ratelen; enkele lichtkogels verlichten de nacht. Iwan is dicht in de buurt! We liggen plat, de kogels vliegen over mijn hoofd en slaan in de betonblokken. Kalk valt in mijn kraag en vermengt zich met het zweet. Ik rol naar voren en trek de beide etensbakken achter een blok. Ook Küpper heeft zijn etensbakken losgelaten en trekt ze in dekking. Hij ligt iets verderop achter een beschermende muur. Ik wil naar hem kruipen en maak een sprong naar voren - maar ik val in het niets in een zwart gat. Handen grijpen naar me en helpen me weer omhoog. “Niet zo snel” zegt een zware stem. En dan: “hoe kom je zo plotseling hier? We wilden nét op jullie schieten, jullie hebben geluk gehad”. Domscheid vertelt het hem. “Man, moeten jullie uitgerekend deze straat hier gebruiken. Iwan zit ons hier vlak op de huid” - Twee uur geleden was ik hier nog en toen zat Iwan verder naar voren” zegt Domscheid. “Ja, maar sinds één uur niet meer. Max, is je geweer klaar?” vraagt de zware stem. “Gereed, zoals altijd” komt het antwoord. “Goed, dan geven we jullie nu vuurdekking. Achter ons over de straat kan je er goed doorkomen. - Snel nu!”

Gelijk met de eerste vuurstoten rennen we weg. Küpper is sneller en trekt me aan de arm mee, waarmee ik de etensbak bij de andere greep vasthoud. Iwan schiet als een wilde terug. Dan begint ook nog de artillerie met zwaar geschut te vuren. Tussendoor hoor ik het “geplop” van de mortieren. De granaten suizen en detoneren rondom ons. De granatenregen overvalt ons als een wild dier en we kruipen weg in een half ingestortte kelder. Bij iedere inslag duik ik weg en verwacht dat de kelder verder in elkaar stort en ons zal begraven. De grond boven ons vi-breert. Zo moet het ook bij een aardbeving zijn, denk ik. Mijn zenuwen trillen. Nooit had ik mij voor kunnen stellen dat ik zò bang voor mijn leven kon zijn. Maar is het goed, zoals we hier als opgejaagde konijnen in de kelder zitten en afwachten? We kunnen niets, maar dan ook hele-maal niets doen. Het enige: eruit en rennen. Maar waarheen? De dood komt hoogstens iets sneller. Verdomme, in de “Wehrmachtsberichten” was er telkens sprake van de trotse, succes-volle Duitse opmarsen. Maar hier in Stalingrad heb ik daar nog niets van gezien. Ik zie alleen dat we ons als ratten in de puinhopen verschuilen en om ons leven vechten. Maar wat kunnen we dan ook bij deze waanzinnige, vijandelijke overmacht doen? Naast mij zitten de chauffeur en de hospik, aan de andere kant Unteroffizier Winter en Küpper. Küpper is lijkbleek. En allen staren we naar het plafond, waar al behoorlijk veel scheuren in komen. Domscheid heeft de sterkste zenuwen, hij staat in de buurt van de uitgang en kijkt af en toe naar buiten. Voor Küpper en mijzelf beangstigen deze weinige uren in Stalingrad onze voorstelling voor de oorlog duidelijk, daarbij hebben wij nog geen ervaring met vijandelijk contact, zoals men dat zo mooi zegt. Mijn gedachten gaan alleen nog over het hoe en wanneer we hier gezond weer uit kunnen komen. We zijn in deze rampspoedige puinhoop-stad al enige uren onderweg en hebben nog geen enkele keer onze eenheid bereikt. Ik hoor hoe Domscheid vanaf de ingang zegt dat Iwan bij de geringste beweging met zwaar geschut schiet. Als onze MG’s losbarsten, gelooft hij zeker in een aanval, die hij gelijk in de kiem zal smoren. “Als ze wisten, dat we op dit moment blij zijn om met onze snuit beneden te blijven totdat er versterking komt” zegt Domscheid en voegt er iets luider aan toe: “We zullen straks door nieuwe troepen ontzet worden, zegt onze “Wachtmeister”. Wie gelooft, wordt gelukkig” bromt de hospik. Dan eindelijk een vuur-pauze: mij lijkt het een eeuwigheid." (uit: "Vergiß die Zeit der Dornen nicht".)

© Hans J. Wijers, 2000 - 2007

Home