8. Operatie Uranus, de omsingeling van de astroepen

Het plan

In het diepste geheim waren legergeneraal Georgy Konstantinovitsj Zjoekov en kolonel-generaal Aleksandr Michailovitsj Vasilevsky begonnen aan de ontwikkeling van een plan om de troepen van de asmogendheden bij Stalingrad te vernietigen. Ze merkten dat de flanken van het 6. Armee slecht verdedigd werden. De Duitsers hadden hier hoofdzakelijk de Roemenen en Italianen opgesteld. Deze legers waren kleiner dan de Duitse en de troepen waren veel minder goed bewapend en getraind. Ook het moreel was erg laag; vele troepen van de bondgenoten begrepen niet wat ze in het verre Rusland te zoeken hadden. Het Sovjetplan bestond uit een enorme tangbeweging vanuit het noordwesten en zuidoosten met als doel de omsingeling van het 6. Armee. De tangbeweging zou bij Kalatsj aan de Don voltooid worden.

Paulus bleef ondertussen Stalingrad in een dodelijke greep houden met zijn troepen, zonder troepen naar zijn flanken te sturen. Hiervoor had hij een tekort aan mankracht. Hij was ontzet over het bloedbad dat zijn soldaten hadden ondergaan en hij had de pest in omdat hij in september niet heel Stalingrad had kunnen veroveren. Hij vertrouwde erop dat Hitler zijn flanken beschermde, wat deze expliciet beloofd had.

Een Russisch kanon

De Sovjetstrijdkrachten die deel moesten nemen aan operatie Uranus verplaatsten zich 's nachts, in lange manschappentreinen. Artilleriestukken, kanonnen, tanks en bijna 10.000 cavaleriepaarden werden op platte goederenwagons aangevoerd naar de verzamelplaatsen bij Serafimovitsj en Kletskaja, 115 kilometer ten noordwesten van Stalingrad. Ook in de omgeving van Beketovka ten zuiden van Stalingrad werden troepen geconcentreerd. Het geheimhouden van de aanval was verassend goed gelukt. Vele Duitsers verwachtten echter wel een aanval, maar waren toch vrij sceptisch over de mogelijkheid van de Sovjets om zo’n grote aanval te lanceren, en waren verbijsterd door de omvang. Inlichtingenofficieren van het 6. Armee hadden Paulus gewaarschuwd voor een waarschijnlijke vijandelijke aanval. Ook speelde maskirovka een grote rol bij de geheimhouding. Maskirovka stond voor camouflage, desinformatie en misleiding bedoeld om de omvang, timing en richting van de aanval te verhullen. Stavka besefte dat het onmogelijk was de aanvalsplannen helemaal geheim te houden, maar de maskirovka bleek zeer goed te zijn gelukt. Ook werd het succes ervan zelfs erkend door de Chef van de Generale Staf van de Wehrmacht, General der Infanterie Zeitzler.

De vooravond

Terwijl Hitler nog steeds vele militaire beslissingen zelf nam, gaf Stalin zijn generaals steeds meer vrijheid. Hoewel hij zelf wilde dat de aanval al in het begin van november plaats zou vinden, stond hij Zjoekov en Vasilevsky toch toe te wachten tot de omstandigheden het best waren. De twee generaals wilden door de zwakke noordwestelijke en zuidelijke flanken breken en zo het 6. Armee omsingelen. Ze wilden een ruime boog maken om Stalingrad, zodat de tanks van het 6. Armee niet snel vanuit Stalingrad aan een eventuele tegenaanval kon beginnen. In het diepste geheim werd een grote strijdmacht verzameld, in totaal ruim een miljoen soldaten, bijna 1.000 tanks, bijna 14.000 kanonnen en mortieren en ongeveer 1.250 vliegtuigen. Overigens was deze strijdmacht maar amper groter dan het totale aantal asstrijdkrachten in het gebied. Kolonel-generaal Nikolai Nikolajevitsj Voronov, de opperbevelhebber van de artillerie van het Rode Leger en vertegenwoordiger van Stavka, zou de artilleriebombardementen coördineren.

Op 24 augustus hadden de Sovjets door tegenaanvallen twee bruggenhoofden op de zuidelijke oever van de Don veroverd, één bij Serafimovitsj en één bij Kletskaja. In oktober 1942 had legergeneraal Petre Dumitrescu, de commandant van het Roemeense 3e Leger, een voorstel ingediend om deze twee bruggenhoofden te heroveren. Dit voorstel werd echter door de Duitsers verworpen omdat er geen troepen voor vrijgemaakt konden worden. Deze twee bruggenhoofden zouden de uitvalsbasis van de Sovjets zijn. Op 10 november verzoekt legergeneraal Dumitrescu Hitler om pantser- en anti-tankeenheden naar de noordelijke flank te sturen ter ondersteuning van de Roemeense troepen. Hoewel Hitler niet geneigd is de Roemeense ongerustheid serieus te nemen stuurt hij Generalleutnant Ferdinand Heims XXXXVIII. Panzerkorps naar de sector van het Roemeense 3e Leger. De belangrijkste twee divisies van dit korps waren Generalleutnant Rodts 22. Panzerdivision en divisiegeneraal Radu’s Roemeense 1e Tankdivisie. De 22e had echter vele tanks verloren - een groot aantal doordat bedrading was doorgeknaagd door muizen - en de Roemeense divisie was grotendeels uitgerust met verouderde Tsjechische 38-T’s.

Operatie Uranus - het noordwesten

Op 19 november 1942, om 07:20 uur Moskouse tijd, kregen de Sovjets opdracht de kanonnen, Katjoesja’s en mortieren te laden. Ze openden de aanval vanuit de twee bruggenhoofden bij Serafimovitsj en Kletskaja in het noordwesten. Volgens een Sovjetgeneraal was de mist ‘zo dik als melk’ en even werd overwogen de aanval uit te stellen. Tien minuten later, om 07:30 uur, opende Voronovs artillerie - in totaal 3.500 geschutsstukken - toch een barrage van 80 minuten op de linies van het Roemeense 3e Leger. Tientallen kilometers achter het front werden Duitse officieren van de 22. Panzerdivision zelfs wakker omdat de grond trilde als bij een aardbeving. Direct na de barrage kwamen vijf Sovjetlegers in beweging: de infanterie komt eerst, gevolgd door honderden tanks van drie sterke tankkorpsen (het 1e en 26e van het 5e Tankleger in het noordwesten en het 4e van het 21e Leger in het noordoosten).

De Duitsers in hun stellingen, in afwachting van het tegenoffensief

De Roemenen vochtten dapper, maar de Sovjets waren te sterk. De Roemenen vluchtten in paniek uiteen. Een mengeling van Sovjettanks, -cavalerie en -infanterie brak door in de achterhoede van het 6. Armee. De enige eenheid die de stoomwals kon tegenhouden was het XXXXVIII. Panzerkorps van Generalleutnant Heim dat in de Roemeense achterhoede gestationeerd was. Dit korps was echter veel te zwak doordat zij een deel van haar eenheden af had moeten staan aan andere formaties en veel van haar tanks buiten werking waren door de door muizen doorgeknaagde bedrading. Eenmaal op weg gaf Hitler Heim om 11:30 uur het bevel om te keren en het sterke 5e Tankleger van luitenant-generaal Romanenko aan te vallen, dat een grotere bedreiging vormde. Doordat de tanks van Heims korps ook nog eens geen sneeuwkettingen hadden vielen er opnieuw diverse tank uit. Divisiegeneraal Radu’s Roemeense 1e Tankdivisie van Heims korps raakte verder naar het oosten in gevecht met Sovjettroepen en werd van de rest van het korps afgesneden. Heeresgruppe B gaf de divisie opdracht zich weer bij het korps te voegen maar dit bericht bereikte de divisie niet doordat het radiostation van de divisie was vernietigd door Sovjettroepen. Heims korps ging uiteindelijk met slechts 20 tanks van Rodts 22. Panzerdivision de strijd aan met het 5e Tankleger. Ze wist het leger enkele verliezen toe te brengen: 26 Sovjettanks werden uitgeschakeld, maar de opmars van de honderden tanks van het tankleger werd er amper door vertraagd.

Operatie Uranus - het zuidoosten

In de ochtend van 20 november begonnen drie legers van Jeremenko’s Stalingradfront vanuit het gebied bij de meren ten zuiden van Stalingrad aan hun westwaartse opmars. De aanval zou om 08:00 uur beginnen, maar vanwege dichte mist werd deze uitgesteld tot 09:00 uur en vervolgens tot 10:00 uur. Toen begon de mist op te trekken en begon het artilleriebombardement. Ook hier waren de door de Roemenen verdedigde sectoren als doel voor de aanval gekozen en ook de linies van het Roemeense 4e Leger van legerkorpsgeneraal Constantinescu-Claps werden snel doorbroken. Na enkele uren waren ook hier ruim 300 tanks op weg naar Kalatsj.

In de zuidelijke sector bevond zich echter in de Duitse achterhoede de 29. Motorisierte Infanteriedivision van Generalmajor Hans-Georg Leyser. In tegenstelling tot Heims korps in het noorden was deze divisie op volle sterkte, goed uitgerust en ervaren. Ze vormde een reserve van Generaloberst Hoths 4. Panzerarmee. De divisie kwam nu bijzonder goed van pas en toen Hoth de Heeresgruppe niet kon bereiken handelde hij zelfstandig: hij gaf de divisie om 10:30 uur opdracht de door de Sovjets gecreëerde bres te dichten. Het zicht was vanwege de mist slechts 100 meter. Al snel doemden de Sovjettanks van het 13e Tankkorps van generaal-majoor der tanktroepen Tanastsjisjin uit de mist op en barstte de strijd los. De Sovjets waren volkomen verrast. De Duitsers wisten het 13e Tankkorps een ernstige nederlaag toe te brengen, waardoor de opmars in deze sector tot staan werd gebracht. 30 kilometer zuidelijker echter bleek het 4e Gemechaniseerde Korps van generaal-majoor der tankstrijdtroepen Volsky ook op weg te zijn naar Kalatsj. Hoth overwoog Leysers divisie dit korps vanuit het noordoosten in de flank aan te laten vallen.

De volgende dag, op 21 november, verbood Generaloberst Von Weichs Leyser echter de aanval door te zetten. Zijn divisie moest defensieve posities innemen op de zuidelijke flank van het 6. Armee. De divisie werd, evenals Jaeneckes IV. Armeekorps, zonder dat Paulus het wist, onder commando van het 6. Armee geplaatst. Von Weichs had echter nog niet door dat niet Stalingrad het doel was van de Sovjettroepen, maar Kalatsj. Maar generaal-majoor der tanktroepen Volsky, de commandant van het 4e Gemechaniseerde Korps, verwachtte juist wel een aanval op zijn lange, onverdedigde flank. Hij besloot daarom ’s middags zijn opmars te stoppen, ondanks een nadrukkelijk bevel van zijn legercommandant zijn opmars voort te zetten. Maar er bleek geen Duitse aanval te komen. Op de 22e stuurde Jeremenko een vliegtuig naar Volsky, met een ‘categorisch verzoek’ verder te gaan met zijn opdracht. Volsky voegde zich naar Jeremenko’s eis. Het korps keerde noordwestwaarts en zou binnen 24 uur bij Kalatsj zijn.

Vorming van een Kessel
Sovjetsoldaten liften mee op een T-60 tank tijdens operatie Uranus

Het hoofdkwartier van Paulus’ 6. Armee in Goloebinsky, een dorpje ten westen van de Don, werd ondertussen haastig geëvacueerd vanwege de bedreiging door Romanenko’s 5e Tankleger in het noorden en Volsky’s 4e Gemechaniseerde Korps in het oosten. Laat in de avond vertrok Paulus met zijn staf naar Nizjne-Tsjirskaja, ongeveer 65 kilometer verder stroomafwaarts langs de Don, bij de samenvloeiing met de Tsjir. Dit hoofdkwartier zou gaan dienen als nieuw, vast hoofdkwartier en had uitstekende verbindingen met Heeresgruppe B, OKH en OKW. Om 15:25 uur stuurde Heeresgruppe B het volgende bericht naar Paulus: “Führerbefehl: 6. Armee moet positie handhaven ondanks dreiging van tijdelijke omsingeling. Houdt spoorwegverbindingen zo lang mogelijk open. Speciale bevelen inzake bevoorrading door de lucht zullen volgen.”

Om elkaar te ontmoeten moest een van de twee Sovjetspeerpunten de Don oversteken. Er was maar één brug, bij Kalatsj, en deze moest veroverd worden voordat de Duitsers hem konden opblazen. De explosieve ladingen waren al aangebracht en alleen een snelle overval had een kans op succes. Het 26e Tankkorps van generaal-majoor Rodin bereikt ’s nachts het dorp Ostrov, vanwaar een mobiele kolonne binnen drie uur bij Kalatsj kon zijn. Met als doel de Donbrug intact te veroveren stelde Rodin een kleine kolonne samen onder bevel van luitenant-kolonel Filippov, de commandant van de 14e Gemotoriseerde Jagerbrigade. De kolonne vertrok om 03:00 uur en bereikte even voor 06:00 uur de brug. Met behulp van de duisternis was de brug al snel in Sovjethanden.

In de ochtend van de 22e kwam Paulus met zijn staf aan in Nizjne-Tsjirskaja. Dit lag echter buiten de Kessel die zich aan het vormen was. Hitler vond dat Paulus zijn troepen in de steek liet en beval hem zijn hoofdkwartier te verplaatsen naar het vliegveld bij Goemrak, ten westen van Stalingrad. Maar terwijl Paulus met zijn hoofdkwartier bezig was miste het 6. Armee in deze kritieke dagen elke leiding van de legerstaf. Paulus besloot wel om alle operaties in Stalingrad zelf te staken en zijn drie pantserdivisies (de 14e, 16e en 24e) naar de Don te sturen. Om 14:00 uur vloog Paulus met zijn chef van de generale staf, Generalmajor Arthur Schmidt, naar Goemrak.

De Roemenen omsingeld

Als gevolg van de snelle Sovjetaanval werden in het noordwesten van de zich vormende Kessel bijna vijf Roemeense infanteriedivisies (de 5e, 6e, 15e en delen van de 13 en 14e) afgesneden van de achterhoede en omsingeld bij het dorp Raspopinskaja. Divisiegeneraal Mihail Lascăr, de commandant van de Roemeense 6e Infanteriedivisie en drager van het Duitse Ritterkreuz, nam het commando over deze divisies op zich. Lascăr was vastbesloten tot het einde door te vechten. Hij gaf de commandant van de Roemeense 15e Infanteriedivisie, brigadegeneraal Ioan Sion, opdracht met 30.000 Roemenen onder zijn commando terug te trekken naar de Duitse linies bij Bolsjaja Donsjtsjinka, waar de Duitse 22. Panzerdivision zich bevond. Lascăr zou de terugtocht dekken. Die avond begonnen de Sovjets het dorp waar Lascăr verbleef, Golovsky, onder artillerievuur te nemen. Kort hierna werd Lascăr, evenals divisiegeneraal Mazarini, de commandant van de Roemeense 5e Infanteriedivisie, krijgsgevangen gemaakt. De kolonne van Sion vertrok om 21:00 uur en wist dankzij de duisternis door de Sovjetlinies te sluipen. Na een tijdje werden ze echter ontdekt en aangevallen door Sovjettanks. In de slachting kwam het overgrote deel van de Roemeense troepen om. Met 3.626 mannen wist Sion de Duitse linies te bereiken en zich bij de restanten van de Duitse 22. Panzerdivision te voegen.

Generaal-majoor Sjoemilov, de commandant van het 64e Leger

Om 03:00 uur in de nacht van 24 november vielen Sovjettanks het dorp aan waar brigadegeneraal Sion en zijn mannen zich bevonden. De 22. Panzerdivision bleek te zijn vertrokken. Sion vocht zij aan zij met zijn mannen maar er was amper munitie en geen anti-tankwapens. De Roemenen vluchtten alle kanten op. Sion probeerde met een paar mannen wederom terug te trekken naar de linies van de 22. Panzerdivision, maar werd gedood in de gevechten. Hij werd posthuum bevorderd tot divisiegeneraal. De plaatsvervangende commandant van de Roemeense 6e Infanteriedivisie, brigadegeneraal Traian Stanescu, werd bij de gevechten krijgsgevangen gemaakt.

Het 6. Armee omsingeld

Om 14:00 uur op 23 november werd Kalatsj veroverd. Om 16:00 uur ontmoetten Volsky’s 13e en Kravtsjenko’s 4e Tankkorps elkaar ten zuidoosten van Kalatsj. De omsingeling was voltooid. Negen Sovjetlegers (het 5e Tank-, 21e, 65e, 24e, 66e, 62e, 64e, 57e en 51e), vier luchtlegers (het 2e, 17e, 16e en 8e) en negen zelfstandige korpsen, in totaal 84 divisies en 70 brigades, hadden bijna twee Duitse legers omsingeld (het 6. Armee en delen van het 4. Panzerarmee, in totaal 23 divisies). Stavka was zelf nog niet eens op de hoogte van de volle omvang van het succes: Stavka schatte dat ze circa 85.000 As-troepen hadden omsingeld, maar in werkelijkheid waren dit er bijna 300.000. De verliezen aan aszijde zijn enorm: alleen al het Roemeense 3e Leger verloor in vier dagen tijd 75.000 man, 34.000 paarden en alle zware wapens van vijf divisies.

De Duitse reacties op de omsingeling waren gemengd. Sommigen, hoofdzakelijk lagere bevelhebbers, meenden dat er onmiddellijk uitgebroken moest worden. Anderen voelden er weinig voor hun stellingen te verlaten, niet alleen omdat het zoveel moeite had gekost ze te krijgen, maar ook omdat de ruïnes van de stad tenminste nog wat bescherming boden tegen de Russische winter. Maar hoe dan ook: de achterhoede van het leger moest verdedigd worden. Paulus had zijn drie pantserdivisies al naar de Don gestuurd. Paulus zag ook al gelijk in dat hij luchtsteun en voorraden nodig had. Indien nodig wilde hij ook de vrijheid van handelen hebben om uit de Kessel te kunnen breken. Het antwoord kwam bijna onmiddellijk maar niet van de opperbevelhebber van Heeresgruppe B, Von Weichs, maar van Hitler zelf. Het 6. Armee moest in zijn stellingen blijven en moest beseffen dat hij al het noodzakelijke deed om het 6. Armee te helpen en te ontzetten. Hij zou bijtijds zijn bevelen geven. Verder gaf hij Paulus het bevel alle eenheden van het 6. Armee die zich ten westen van de Don bevonden in Oostelijke richting terug te trekken, richting Stalingrad. In de nacht van 23 november verklaarde Hitler Stalingrad tot een Festung die tot het laatste verdedigd moest worden.

Home